Wetenschappelijk onderwijs (wo) (bewerkbare versie)
Uit Trotsopnederland
Inhoud [verbergen]
* 1 Wetenschappelijk onderwijs (geconsolideerde, niet bewerkbare versie) * 2 Inleiding * 3 Prestatiebeloning * 4 Scheiding HBO en WO * 5 Onderwijstechnologie * 6 Scheiding onderwijs en onderzoek * 7 Wetenschappelijk onderzoek * 8 kwaliteit, financiering en betrokkenheid bedrijfsleven * 9 Reactie: onderwijs/onderzoek * 10 Reactie op beurzenstelsel en 'zesjescultuur' * 11 Meer open vragen i.p.v. multiple choice * 12 Collegegeld dient gerelateerd te worden aan de kostprijs van het onderwijs * 13 Opleidingen met een numerus fixus * 14 Reactie: onderwijs/onderzoek
Wetenschappelijk onderwijs
Hierna volgt een inleidend stuk om de discussie over de problemen binnen het wetenschappelijk onderwijs op gang te brengen. Het stuk is bewust prikkelend geschreven. De redactie wenst u veel leesplezier en vooral veel inspiratie bij het inbrengen van uw eigen visie op de knelpunten en oplossingen daarvoor.
De laatste tijd is veel ophef geweest over het falen van ons lager en middelbaar onderwijs. Het rapport Dijsselbloem dat hierover ging, kwam tot een vernietigend oordeel. Toch komt ons middelbaar onderwijs er in internationale vergelijking helemaal niet slecht vanaf, ook al is de kwaliteit van die vergelijking omstreden. Maar uit vergelijkend onderzoek blijkt wel dat ons wetenschappelijk onderwijs het helemaal niet goed doet. Staan de Nederlandse middelbare scholieren redelijk vooraan, voor de afgestudeerden is dat niet het geval. De zesjesmentaliteit die ons onderwijs in het algemeen beheerst, is vooral kenmerkend en fnuikend voor de geringe relatieve prestaties van ons wetenschappelijk onderwijs. Hoe komt dat?
1. Onze studenten houden er massaal bijbanen op na of ze besteden veel tijd aan het “studentenleven”, dat menig student geneigd is serieuzer te nemen dan de studie.
2. Ons WO heeft te kampen met het verschijnsel van de diploma-inflatie als gevolg van output-financiering. Faculteiten worden betaald naar rato van het aantal behaalde propedeuses en het aantal afgestudeerden. Vrijwel iedereen die in het WO werkt, maakt geregeld mee dat de tentameneisen worden bijgesteld omdat de uitslag anders te slecht is en financiële repercussies kan hebben.
3. De neiging om de studie niet al te serieus te nemen wordt versterkt door het beurzenstelsel. De beurs is weliswaar nog niet toereikend om het collegegeld en de kosten van kamerhuur te betalen, maar daarmee wel voldoende om flink wat druk van de financiële ketel te halen. Als men wel de eigen studie volledig zou moeten financieren, zou die druk leiden tot harder studeren aangezien de kosten van traag studeren dan meestal groter zullen zijn dan de inkomsten van een studentenbijbaan. In de VS, waar de meest studenten (of hun ouders) zelf voor de studie opdraaien, worden de cijfers en de ranking van de studenten zeer serieus genomen. Zakken op een tentamen komt nauwelijks voor en dat terwijl er geen herhalingsexamens zijn. Is er maar één kans, wordt er ook navenant harder gewerkt. De vraag is echter of zonder beurs de instroom wel min of meer gehandhaafd zal blijven . Uit onderzoek weten we dat de beurs nauwelijks een factor is bij de beslissing om wel of niet te gaan studeren. Het risico van studiefalen doet zich ook bij ons in feite bijna uitsluitend voor in de propedeuse. Is die drempel eenmaal genomen, dan is er bijna geen studie-uitval meer. Hooguit voor het eerste jaar zou het beurzensysteem derhalve enig effect op de instroom kunnen hebben. Daarbij zou er voor studenten die niet door de propedeuse komen een gemakkelijke overgang naar het tweede jaar van een hbo-opleiding mogelijk moeten zijn. Om toch wat pressie op de studie-activiteit te hebben, zou je dan wel een verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs kunnen instellen in het geval verder studeren bij bindend studieadvies wordt uitgesloten. De overheid zou wel garant kunnen staan voor een systeem van gunstige studieleningen, waarbij afbetaald kan worden op redelijke termijn met een voor zo’n termijn gemiddelde rentevoet. Wie na 15 jaar nog niet heeft kunnen terugbetalen kan daarvan worden vrijgesteld op basis van een verzekeringspremie.
4. Het Wetenschappelijk Onderwijs zou zich veel meer moeten wijden aan de wetenschap. Dat kan alleen als de sector daar ook voor kiest en dát doet deze nu net niet. Duizenden studenten zijn helemaal niet van plan 'de wetenschap te dienen', maar zien hun Masters diploma vooral als opstap naar een maatschappelijke carrière. Universiteiten lijken daar té gemakkelijk op in te gaan. Nederland zou daarom de bachelor fase moeten loskoppelen van de masters fase. Nét zoals dat in andere landen gaat, worden alle HBO-instellingen zo een 'university' en nét als elders hebben we dan 'universities' van verschillend karakter en niveau. De beroepsgerichte universiteiten (ex-HBO) zullen zich, in de bachelor fase en in de masters fase, vooral richten op het invullen van functies in de maatschappelijke sector, de puur wetenschappelijk gerichte universiteiten richten zich,ook in de bachelor fase, puur op de wetenschappelijke ontwikkeling van hun studenten. Bij dat laatste mogen ze hun studenten duidelijk andere eisen opleggen dan nu het geval is, terwijl de Masters opleidingen aan de beroepsgerichte universiteiten een duidelijk zichtbaar wetenschappelijk accent moeten krijgen. Dit systeem zou het moeilijker maken om vanuit een beroepsgerichte studie naar een puur wetenschappelijke te groeien, en omgekeerd, maar als een 'HBO' opleiding als 'university' meer aanzien krijgt, en daarmee ook de diploma's, zal de neiging om koste wat kost een universitaire studie te volgen minder worden. Dat leidt tot minder uitval en meer keus voor aankomende studenten. Een groter contingent VWO-studenten in de beroepsgerichte sector zal het niveau van onderwijs daar ten goede komen. Voor de beroepsgerichte studies die nu aan universiteiten gegeven worden,kan op den duur een andere oplossing worden gezocht. De huidige situatie is suboptimaal, voor het WO én voor het HBO, omdat heel veel studenten in een studieklimaat terecht komen dat hen niet ligt! Internationaal, waar HBO instellingen zich toch als 'university of applied sciences' presenteren, zou een dergelijke verandering leiden tot meer duidelijkheid, voor student én werkgever. De Wetenschap heeft er alle baat bij dat alleen wetenschappelijk geïnteresseerde studenten (en dat is wat anders dan de intelligentste) hun collegebanken bevolken, zonder dat ze rekening hoeven houden met een meerderheid die alleen zo snel mogelijk een masters titel wil halen. Als ze dat echt willen, halen ze hun masters in een omgeving die beter bij hun ambities en competenties past. Het spreekt vanzelf dat beide typen masters op precies dezelfde wijze gefinancierd moeten worden, al kan een student best gevraagd worden deze fase deels, via private financiering, zelf te betalen.
Voor sommige studierichtingen zal het nationaal belang een zekere hoeveelheid afgestudeerden vragen, zodat geen fysieke tekorten ontstaan in bepaalde beroepen, zoals (tand)artsen, of archeologen. In die gevallen kunnen wel beurzen worden gegeven en wel aan de meest geschikte kandidaten. Daarmee wordt ook het probleem opgelost dat de collegegelden in principe kostendragend moeten zijn. Een medicijnenstudie is al gauw enkele malen duurder dan een rechtenstudie. Is het gevolg daarvan een tekort aan medische studenten, dan kan het beurzen systeem uitkomst bieden. Van belang is ook de aansluiting tussen VWO en WO. Door het niveau van het VWO te verhogen, althans voor zover het bepalend is voor de toegang tot het WO (een ontoereikend VWO-examen zou nog altijd een toereikend HAVO-diploma kunnen zijn, zou al vóór het WO een betere selectie kunnen plaatsvinden.
PrestatiebeloningVoor het lager en middelbar onderwijs wordt thans gesproken over prestatiebeloning. VVD, CDA en D’66 zeggen er voorstander van te zijn (de PvdA is overigens tegen, tewijl minister Plasterk er wel voorstander van is), maar erg serieus schijnen ze het idee toch niet te nemen gelet op de reacties op het rapport Dijsselbloem Ook in het WO zou invoering van prestatiebeloning een goed idee zijn. Maar dan moet er wel een objectieve maatstaf zijn voor het meten van prestaties. Dat kan doordat nationale commissies (waarin ook buitenlandse leden) eisen van algemene kennis voor ieder vakgebied vaststellen en de daarop betrekking hebbende nationale voortgangstoetsen jaarlijks nationaal worden afgenomen. Faculteiten kunnen dan naar rato van de gemiddelde prestaties worden beloond. Faculteiten zelf kunnen intern prestaties belonen naar vakgebieden c.q. op basis van prestaties van individuele docenten.
Sprekend over prestatiebeloning in het onderwijs heeft men het vreemd genoeg nooit over het belonen van de prestaties van degenen waarom het uiteindelijk allemaal begonnen is in het onderwijs, namelijk de leerlingen en de studenten. Over de revolutionaire effecten op ons lager (bovenbouw) en middelbaar onderwijs van het belonen van leerlingen, zal ik het hier niet hebben, maar alleen over studenten. Als het beurzenstelsel zou worden afgeschaft komt er geld vrij waarmee studieprestaties kunnen worden beloond. In combinatie met de afschaffing van de beurzen, zal dat hard werken om niet alleen een voldoende maar ook een hoger cijfer te halen, interessant maken.
Scheiding HBO en WOEerder is al het nodige gezegd over het verhogen van het niveau van het VWO bij wijze van selectie voor het WO. Dit is ook relevant met het oog op het gegeven dat een belangrijk deel van ons WO thans een te gering academisch gehalte heeft, doordat het zich te zeer op het niveau van een beroepsopleiding beweegt. De scheiding tussen hoger beroepsonderwijs en WO zou dus juist scherper moeten worden in plaats van minder scherp. Van WO in materiële zin kan eigenlijk alleen maar sprake zijn als afgestudeerden in staat zijn om onderzoek van beperkte omvang te doen met een wetenschappelijke vraagstelling op wetenschappelijk verantwoorde wijze.
Sinds de invoering van bachelor-masterstructuur heeft zich een jungle van masters ontwikkeld met soms absurde specialisaties en grote niveauverschillen, waardoor de relatieve waarde van master-diploma’s moeilijk is vast te stellen. Voor het WO zou het in feite vanzelfsprekend moeten zijn dat uitsluitend academische specialisaties maatgevend zijn voor de indeling in masters en niet beroepsgerichte criteria. Beroepsgerichte masters dienen zichzelf te bedruipen en kunnen eventueel plaats vinden na de academische studie. Wie het academische niveau niet aankan, moet maar switchen naar het HBO, waar beroepsgerichte masters per definitie wel op hun plaats zijn en door de relevante beroepsgenoten vrij gemakkelijk op waarde zijn te schatten.
OnderwijstechnologieVoor ons onderwijs geldt dat het in feite erg ouderwets is. Ook het rapport Dijsselbloem is doorspekt van het ideaal van de gedreven leraar. Het is net alsof we nog niet in het tijdperk van de computer leven, terwijl die op de meeste vakgebieden, voor zover het niet gaat om echte practica, de rol van de leraar uitstekend grotendeels kan overnemen en tevens enorme mogelijkheden biedt om te controleren of het werk (goed) gedaan wordt. De gedreven, enthousiasmerende leraar, die in werkelijkheid weinig voorkomt, kan uiteraard ook op de computer zijn show geven. Enorme besparingen zijn aldus bovendien denkbaar in termen van voorzieningen. Heel veel onderwijs kan immers thuis worden gevolgd. Daartegenover staat juist het niet automatiseerbare deel van het onderwijs, de practica, schrijven en onderzoek doen. Onderzoek doen en daarover rapporteren zou juist meer aandacht verdienen.
Scheiding onderwijs en onderzoekEén ander symptoom van het ouderwetse karakter van ons academisch onderwijs is het gebrek aan scheiding van onderwijs en onderzoek. Een niet gering deel van de goede onderzoekers is echter geen goed docent en omgekeerd. Vooral in de master-fase zijn natuurlijk zowel onderzoekers nodig als docenten. Het zou goed zijn als faculteiten volstrekt vrij zijn in de mate waarin zij onderzoekers als docenten willen inzetten. Het ligt dan ook voor de hand om onderwijs en onderzoek bestuurlijk te scheiden, zodat de belangen van beide ook niet door elkaar kunnen lopen. De onderwijspoot kan naar believen onderzoekers inhuren als docenten. Jonge gepromoveerden krijgen een parttime aanstelling bij onderzoeksinstituten en kunnen zich voor het overige financieren uit onderzoeksbeurzen dan wel het geven van onderwijs. Promoveren vindt eveneens plaats bij deze instituten, die ook de verantwoordelijkheid voor de begeleiding hebben.
Door prestatiebeloning en de nationale competitie die daarmee gepaard gaat, is het huidige, nogal subjectieve visitatiesysteem voor het onderwijs overbodig. In feite zou zelfs de WO-onderwijsmarkt vrij gegeven kunnen worden. Maatgevend zijn immers de scores op de nationale voortgangstoetsen. Die hebben echter alleen maar zin voor de bachelor-fase van de studie. In de masterfase zou de beoordeling van het niveau van de afstudeerscripties (op basis van beoordelingen door onafhankelijke beoordelaars op basis van aselecte steekproeven uit geanonimiseerde scripties) maatgevend moeten zijn voor de accreditatie. Een alternatief is master-opleidingen te koppelen aan qua materie “verwante” onderzoeksinstituten.
Wetenschappelijk onderzoekDe onderzoeksinstituten kunnen geaccrediteerd worden op basis van aantallen promoties, publicaties alsmede de hoeveelheid extern gefinancierd onderzoek. Overigens verdient het aanbeveling NWO juist minder onderzoeksgeld te laten verdelen in verband met de enorme overheadkosten ervan.
De onafhankelijke instituten doen alleen maar zuiver wetenschappelijk onderzoek. Hun medewerkers kunnen echter wel tijdelijk worden verhuurd voor toegepast onderzoek, gesteld dat dit een fulltime aangelegenheid is. De inkomsten kunnen dan later worden gebruikt voor zuiver wetenschappelijk onderzoek. Naast instituten voor zuiver wetenschappelijk onderzoek kunnen er natuurlijk ook instituten voor toegepast onderzoek zijn, zoals nu TNO of het CPB, die onderzoek doen dat voor de overheid en bedrijfsleven in het algemeen van belang is.
Om de discussie over de thema’s die spelen in het wetenschappelijk onderwijs op gang te brengen, volgen hierna een aantal - soms bewust prikkelende - stellingen:
* het niveau van de WO-examens moet nog verder omhoog; * meer open vragen i.p.v. multiple choice; * ontmenging van wetenschappelijke en beroepsopleidingen; * afschaffing beurzenstelsel; * collegegeld dient gerelateerd te worden aan de kostprijs van het onderwijs; * beurzen alleen bij dreigende tekorten aantallen afgestudeerden; * studieleningensysteem; * prestatiebeloning voor faculteiten, docenten en studenten; * modernisering onderwijstechnologie; * outputfinanciering en visitaties in de bachelorfase vervangen door nationale voortgangstoetsen; * vrijgeven WO-onderwijsmarkt voor de bachelorfase; * masters accrediteren op basis van beoordeling master-scripties dan wel koppeling aan onderzoeksinstituten; * bestuurlijke scheiding onderwijs en onderzoek (met eventuele uitzondering van master-fase); * beperking NWO tot financiering grotere projecten van zuiver wetenschappelijk onderzoek die niet al binnen de competentie van bestaande onderzoeksinstituten valt.
Hiervoor zijn slechts enkele thema’s opgenomen waarover we uw mening graag horen, maar er zijn er talloze die voor het wetenschappelijk onderwijs van belang zijn. De redactie nodigt u van harte uit om ook de nog niet behandelde onderwerpen in de discussie in te brengen.
Probleemomschrijving/stelling (plaats een probleem of stelling waarop u een reactie wilt hebben; of reageer op een van de problemen of stellingen uit de reeds gefixeerde stukken)
1. Oplossing/reactie (gebruik argumenten en vermeld eventueel de bronnen die u gebruikt heeft. Indien u meerdere oplossingen of reacties wilt geven nummer deze dan door.)
2. Oplossing/reactie (gebruik argumenten en vermeld eventueel de bronnen die u gebruikt heeft. Indien u meerdere oplossingen of reacties wilt geven nummer deze dan door.)
Voorbeeld: Ik ben het niet eens met de stelling dat het onderwijs gemoderniseerd moet worden en dat computers een belangrijke rol moeten krijgen. 1. Het is voor goed wetenschappelijk onderwijs nu juist van belang dat er interactie is tussen de docent en zijn studenten. 2. Teveel computergebruik in het onderwijs zorgt er ook voor dat studenten onderling minder contact met elkaar hebben, waardoor het studentenleven minder interessant wordt. Het studentenleven heeft ook toegevoegde waarde omdat het een van de prikkels is om te gaan studeren. 3. Een beperkte en goed doordachte inzet van computers waar dat werkelijk toegevoegde waarde heeft moet natuurlijk wel mogelijk zijn.
Resultaten
1. Kwaliteit, financiering en betrokkenheid bedrijfsleven
Diploma-inflatie wordt een steeds groter probleem voor het Nederlands WO. Zeker gezien de vrije concurrentie door andere EU-landen, waarbij de kwaliteiten van de Oost-Europeanen niet onderschat moeten worden, zal dat op lange termijn voor ons land funest worden.
Een eerste maatregel hiertegen, moet het invoeren van een minimumgarantie voor diploma's zijn. Een Italiaan die een Nederlandse Bachelor aanneemt, kan bedrogen uitkomen als het een HBO-er blijkt te zijn: die is veel praktischer ingesteld, heeft meer kennis, maar minder flexibiliteit dan een WO-er na 2 jaar. Dit is slecht voor het image van de Nederlandse opleidingen. Het zelfde geldt voor een bedrijfsadministratie- of wetenschappelijke opleiding. Maak dus een onderscheid professional/scientific. Laat onderwijsinstellingen vrij in het benoemen van hun diploma's en scholen, maar voeg er een overheidskenmerk aan de diploma's toe. Bijvoorbeeld BP voor afgerond HBO als Bachelors, BS voor wetenschappelijk Bachelors (oude universiteiten), M voor wetenschappelijk Master's, etcetera.
Dan de kwaliteit van het onderwijs zelf. Kijk naar de kosten van het WO. Veel universitair onderwijs is rechtstreeks gericht op behoeften en/of wensen van het bedrijfsleven. Dit wentelt op die manier opleidingskosten van de particuliere sector af op de samenleving, terwijl de in het WO gelegde basis voor het zelfstandig ontwikkelen van nieuwe ideeën te smal blijft. Voor dit laatste is daneenvoudigweg minder tijd. Op den duur lijdt de samenleving hieronder, door tekort aan kwaliteit bij de overheid, en verminderd concurrentievermogen van de particuliere sector. De financiering moet hierom om. Praktijkgerichte vakken moeten gefinancierd kunnen worden door het bedrijfsleven zelf. Het bedrijfsleven krijgt hier een sturende kracht: Is er echt een tekort aan op korte termijn produktief personeel, kan het de financiering van het WO opvoeren. Sponsoring van wetenschappelijk personeel valt hier automatisch onder. Het volledige budget voor het WO kan zo ten goede komen aan echt wetenschappelijk onderwijs, wat automatisch de kwaliteit ten goede komt.
Modernere technologie (practica) kan door het bedrijfsleven gefinancierd worden. De universiteit is er voor ideeënoverdreacht. Wie slim genoeg is om het WO te volgen, kan zich snel genoeg aan nieuwe technologie aanpassen na zijn studie. Dit vergt enige tijd, dus is wetenschappelijk personeel minder snel operationeel in het bedrijfsleven. Wil het bedrijfsleven dat deze inwerktijd korter is, kan ze zelf voor de financiering van technologiegebruik orgdragen. Inleiding
Hierna volgt een inleidend stuk om de discussie over de problemen binnen het wetenschappelijk onderwijs op gang te brengen. Het stuk is bewust prikkelend geschreven. De redactie wenst u veel leesplezier en vooral veel inspiratie bij het inbrengen van uw eigen visie op de knelpunten en oplossingen daarvoor.
1. Onze studenten houden er massaal bijbanen op na of ze besteden veel tijd aan het “studentenleven”, dat menig student geneigd is serieuzer te nemen dan de studie.
2. Ons WO heeft te kampen met het verschijnsel van de diploma-inflatie als gevolg van output-financiering. Faculteiten worden betaald naar rato van het aantal behaalde propedeuses en het aantal afgestudeerden. Vrijwel iedereen die in het WO werkt, maakt geregeld mee dat de tentameneisen worden bijgesteld omdat de uitslag anders te slecht is en financiële repercussies kan hebben.
3. De neiging om de studie niet al te serieus te nemen wordt versterkt door het beurzenstelsel. De beurs is weliswaar nog niet toereikend om het collegegeld en de kosten van kamerhuur te betalen, maar daarmee wel voldoende om flink wat druk van de financiële ketel te halen. Als men wel de eigen studie volledig zou moeten financieren, zou die druk leiden tot harder studeren aangezien de kosten van traag studeren dan meestal groter zullen zijn dan de inkomsten van een studentenbijbaan. In de VS, waar de meest studenten (of hun ouders) zelf voor de studie opdraaien, worden de cijfers en de ranking van de studenten zeer serieus genomen. Zakken op een tentamen komt nauwelijks voor en dat terwijl er geen herhalingsexamens zijn. Is er maar één kans, wordt er ook navenant harder gewerkt. De vraag is echter of zonder beurs de instroom wel min of meer gehandhaafd zal blijven . Uit onderzoek weten we dat de beurs nauwelijks een factor is bij de beslissing om wel of niet te gaan studeren. Het risico van studiefalen doet zich ook bij ons in feite bijna uitsluitend voor in de propedeuse. Is die drempel eenmaal genomen, dan is er bijna geen studie-uitval meer. Hooguit voor het eerste jaar zou het beurzensysteem derhalve enig effect op de instroom kunnen hebben. Daarbij zou er voor studenten die niet door de propedeuse komen een gemakkelijke overgang naar het tweede jaar van een hbo-opleiding mogelijk moeten zijn. Om toch wat pressie op de studie-activiteit te hebben, zou je dan wel een verplichting tot terugbetaling van de studiebeurs kunnen instellen in het geval verder studeren bij bindend studieadvies wordt uitgesloten. De overheid zou wel garant kunnen staan voor een systeem van gunstige studieleningen, waarbij afbetaald kan worden op redelijke termijn met een voor zo’n termijn gemiddelde rentevoet. Wie na 15 jaar nog niet heeft kunnen terugbetalen kan daarvan worden vrijgesteld op basis van een verzekeringspremie.
Voor sommige studierichtingen zal het nationaal belang een zekere hoeveelheid afgestudeerden vragen, zodat geen fysieke tekorten ontstaan in bepaalde beroepen, zoals (tand)artsen, of archeologen. In die gevallen kunnen wel beurzen worden gegeven en wel aan de meest geschikte kandidaten. Daarmee wordt ook het probleem opgelost dat de collegegelden in principe kostendragend moeten zijn. Een medicijnenstudie is al gauw enkele malen duurder dan een rechtenstudie. Is het gevolg daarvan een tekort aan medische studenten, dan kan het beurzen systeem uitkomst bieden. Van belang is ook de aansluiting tussen VWO en WO. Door het niveau van het VWO te verhogen, althans voor zover het bepalend is voor de toegang tot het WO (een ontoereikend VWO-examen zou nog altijd een toereikend HAVO-diploma kunnen zijn, zou al vóór het WO een betere selectie kunnen plaatsvinden.
Prestatiebeloning
Voor het lager en middelbar onderwijs wordt thans gesproken over prestatiebeloning. VVD, CDA en D’66 zeggen er voorstander van te zijn (de PvdA is overigens tegen, tewijl minister Plasterk er wel voorstander van is), maar erg serieus schijnen ze het idee toch niet te nemen gelet op de reacties op het rapport Dijsselbloem Ook in het WO zou invoering van prestatiebeloning een goed idee zijn. Maar dan moet er wel een objectieve maatstaf zijn voor het meten van prestaties. Dat kan doordat nationale commissies (waarin ook buitenlandse leden) eisen van algemene kennis voor ieder vakgebied vaststellen en de daarop betrekking hebbende nationale voortgangstoetsen jaarlijks nationaal worden afgenomen. Faculteiten kunnen dan naar rato van de gemiddelde prestaties worden beloond. Faculteiten zelf kunnen intern prestaties belonen naar vakgebieden c.q. op basis van prestaties van individuele docenten.
Sprekend over prestatiebeloning in het onderwijs heeft men het vreemd genoeg nooit over het belonen van de prestaties van degenen waarom het uiteindelijk allemaal begonnen is in het onderwijs, namelijk de leerlingen en de studenten. Over de revolutionaire effecten op ons lager (bovenbouw) en middelbaar onderwijs van het belonen van leerlingen, zal ik het hier niet hebben, maar alleen over studenten. Als het beurzenstelsel zou worden afgeschaft komt er geld vrij waarmee studieprestaties kunnen worden beloond. In combinatie met de afschaffing van de beurzen, zal dat hard werken om niet alleen een voldoende maar ook een hoger cijfer te halen, interessant maken.
Scheiding HBO en WO
Eerder is al het nodige gezegd over het verhogen van het niveau van het VWO bij wijze van selectie voor het WO. Dit is ook relevant met het oog op het gegeven dat een belangrijk deel van ons WO thans een te gering academisch gehalte heeft, doordat het zich te zeer op het niveau van een beroepsopleiding beweegt. De scheiding tussen hoger beroepsonderwijs en WO zou dus juist scherper moeten worden in plaats van minder scherp. Van WO in materiële zin kan eigenlijk alleen maar sprake zijn als afgestudeerden in staat zijn om onderzoek van beperkte omvang te doen met een wetenschappelijke vraagstelling op wetenschappelijk verantwoorde wijze.
Sinds de invoering van bachelor-masterstructuur heeft zich een jungle van masters ontwikkeld met soms absurde specialisaties en grote niveauverschillen, waardoor de relatieve waarde van master-diploma’s moeilijk is vast te stellen. Voor het WO zou het in feite vanzelfsprekend moeten zijn dat uitsluitend academische specialisaties maatgevend zijn voor de indeling in masters en niet beroepsgerichte criteria. Beroepsgerichte masters dienen zichzelf te bedruipen en kunnen eventueel plaats vinden na de academische studie. Wie het academische niveau niet aankan, moet maar switchen naar het HBO, waar beroepsgerichte masters per definitie wel op hun plaats zijn en door de relevante beroepsgenoten vrij gemakkelijk op waarde zijn te schatten.
Elke docent in het HBO weet dat studenten met een VWO opleiding anders met de studie omgaan dan studenten met HAVO. Dat zal nog sterker zijn, mag je aannemen, als die studenten via een categoraal gymnasium hun diploma hebben gehaald, maar die variëteit is buitengewoon zeldzaam op het HBO. Dat onderscheid tussen HAVO en VWO hoeft als zodanig niet te worden versterkt. Het WO moet onderpresterende studenten niet dumpen naar het HBO, dat is niet goed voor de motivatie van student én docent, maar we moeten ervoor zorgen dat alleen wetenschappelijk geïnteresseerde studenten een wetenschappelijke studie gaan volgen, en de rest op het huidige HBO opleiden. Dán moet dat HBO wel een 'universitaire' status krijgen om ook voor VWO-ers aantrekkelijk te zijn. Het is merkwaardig dat in Nederland universiteiten zo krampachtig vasthouden aan hun imago, terwijl de rest van de wereld, waaraan we ons op andere terreinen zo graag spiegelen, daarmee helemaal geen moeite blijkt te hebben. Wel is duidelijk dat masters in de beroepsgerichte sector wel allemaal een masters niveau moeten hebben met een duidelijk zichtbaar wetenschappelijk tintje. Het wetenschappelijke en maatschappelijke niveau van die universiteiten zal duidelijk verschillend zijn, maar dat is internationaal toch gewoon een aanvaarde situatie?
Onderwijstechnologie
Voor ons onderwijs geldt dat het in feite erg ouderwets is. Ook het rapport Dijsselbloem is doorspekt van het ideaal van de gedreven leraar. Het is net alsof we nog niet in het tijdperk van de computer leven, terwijl die op de meeste vakgebieden, voor zover het niet gaat om echte practica, de rol van de leraar uitstekend grotendeels kan overnemen en tevens enorme mogelijkheden biedt om te controleren of het werk (goed) gedaan wordt. De gedreven, enthousiasmerende leraar, die in werkelijkheid weinig voorkomt, kan uiteraard ook op de computer zijn show geven. Enorme besparingen zijn aldus bovendien denkbaar in termen van voorzieningen. Heel veel onderwijs kan immers thuis worden gevolgd. Daartegenover staat juist het niet automatiseerbare deel van het onderwijs, de practica, schrijven en onderzoek doen. Onderzoek doen en daarover rapporteren zou juist meer aandacht verdienen.
Scheiding onderwijs en onderzoek
Eén ander symptoom van het ouderwetse karakter van ons academisch onderwijs is het gebrek aan scheiding van onderwijs en onderzoek. Een niet gering deel van de goede onderzoekers is echter geen goed docent en omgekeerd. Vooral in de master-fase zijn natuurlijk zowel onderzoekers nodig als docenten. Het zou goed zijn als faculteiten volstrekt vrij zijn in de mate waarin zij onderzoekers als docenten willen inzetten. Het ligt dan ook voor de hand om onderwijs en onderzoek bestuurlijk te scheiden, zodat de belangen van beide ook niet door elkaar kunnen lopen. De onderwijspoot kan naar believen onderzoekers inhuren als docenten. Jonge gepromoveerden krijgen een parttime aanstelling bij onderzoeksinstituten en kunnen zich voor het overige financieren uit onderzoeksbeurzen dan wel het geven van onderwijs. Promoveren vindt eveneens plaats bij deze instituten, die ook de verantwoordelijkheid voor de begeleiding hebben.
Door prestatiebeloning en de nationale competitie die daarmee gepaard gaat, is het huidige, nogal subjectieve visitatiesysteem voor het onderwijs overbodig. In feite zou zelfs de WO-onderwijsmarkt vrij gegeven kunnen worden. Maatgevend zijn immers de scores op de nationale voortgangstoetsen. Die hebben echter alleen maar zin voor de bachelor-fase van de studie. In de masterfase zou de beoordeling van het niveau van de afstudeerscripties (op basis van beoordelingen door onafhankelijke beoordelaars op basis van aselecte steekproeven uit geanonimiseerde scripties) maatgevend moeten zijn voor de accreditatie. Een alternatief is master-opleidingen te koppelen aan qua materie “verwante” onderzoeksinstituten.
Wetenschappelijk onderzoek
De onderzoeksinstituten kunnen worden geaccrediteerd op basis van aantallen promoties, publicaties alsmede de hoeveelheid extern gefinancierd onderzoek. Overigens verdient het aanbeveling NWO juist minder onderzoeksgeld te laten verdelen in verband met de enorme overheadkosten ervan.
De onafhankelijke instituten doen alleen maar zuiver wetenschappelijk onderzoek. Hun medewerkers kunnen echter wel tijdelijk worden verhuurd voor toegepast onderzoek, gesteld dat dit een fulltime aangelegenheid is. De inkomsten kunnen dan later worden gebruikt voor zuiver wetenschappelijk onderzoek. Naast instituten voor zuiver wetenschappelijk onderzoek kunnen er natuurlijk ook instituten voor toegepast onderzoek zijn, zoals nu TNO of het CPB, die onderzoek doen dat voor de overheid en bedrijfsleven in het algemeen van belang is.
Om de discussie over de thema’s die spelen in het wetenschappelijk onderwijs op gang te brengen, volgen hierna een aantal - soms bewust prikkelende - stellingen:
* het niveau van de WO-examens moet nog verder omhoog; * meer open vragen i.p.v. multiple choice; * ontmenging van wetenschappelijke en beroepsopleidingen; * afschaffing beurzenstelsel; * collegegeld dient gerelateerd te worden aan de kostprijs van het onderwijs; * beurzen alleen bij dreigende tekorten aantallen afgestudeerden; * studieleningensysteem; * prestatiebeloning voor faculteiten, docenten en studenten; * modernisering onderwijstechnologie; * outputfinanciering en visitaties in de bachelorfase vervangen door nationale voortgangstoetsen; * vrijgeven WO-onderwijsmarkt voor de bachelorfase; * masters accrediteren op basis van beoordeling master-scripties dan wel koppeling aan onderzoeksinstituten; * bestuurlijke scheiding onderwijs en onderzoek (met eventuele uitzondering van master-fase); * beperking NWO tot financiering grotere projecten van zuiver wetenschappelijk onderzoek die niet al binnen de competentie van bestaande onderzoeksinstituten valt.
Hiervoor zijn slechts enkele thema’s opgenomen waarover we uw mening graag horen, maar er zijn er talloze die voor het wetenschappelijk onderwijs van belang zijn. De redactie nodigt u van harte uit om ook de nog niet behandelde onderwerpen in de discussie in te brengen.
Probleemomschrijving/stelling (plaats een probleem of stelling waarop u een reactie wilt hebben; of reageer op een van de problemen of stellingen uit de reeds gefixeerde stukken)
1. Oplossing/reactie (gebruik argumenten en vermeld eventueel de bronnen die u gebruikt heeft. Indien u meerdere oplossingen of reacties wilt geven nummer deze dan door.)
2. Oplossing/reactie (gebruik argumenten en vermeld eventueel de bronnen die u gebruikt heeft. Indien u meerdere oplossingen of reacties wilt geven nummer deze dan door.)
Voorbeeld: Ik ben het niet eens met de stelling dat het onderwijs gemoderniseerd moet worden en dat computers een belangrijke rol moeten krijgen. 1. Het is voor goed wetenschappelijk onderwijs nu juist van belang dat er interactie is tussen de docent en zijn studenten. 2. Teveel computergebruik in het onderwijs zorgt er ook voor dat studenten onderling minder contact met elkaar hebben, waardoor het studentenleven minder interessant wordt. Het studentenleven heeft ook toegevoegde waarde omdat het een van de prikkels is om te gaan studeren. 3. Een beperkte en goed doordachte inzet van computers waar dat werkelijk toegevoegde waarde heeft moet natuurlijk wel mogelijk zijn.
kwaliteit, financiering en betrokkenheid bedrijfsleven
Diploma-inflatie wordt een steeds groter probleem voor het Nederlands WO. Zeker gezien de vrije concurrentie door andere EU-landen, waarbij de kwaliteiten van de Oost-Europeanen niet onderschat moeten worden, zal dat op lange termijn voor ons land funest worden.
Een eerste maatregel hiertegen, moet het invoeren van een minimumgarantie voor diploma's zijn. Een Italiaan die een Nederlandse Bachelor aanneemt, kan bedrogen uitkomen als het een HBO-er blijkt te zijn: die is veel praktischer ingesteld, heeft meer kennis, maar minder flexibiliteit dan een WO-er na 2 jaar. Dit is slecht voor het image van de Nederlandse opleidingen. Het zelfde geldt voor een bedrijfsadministratie- of wetenschappelijke opleiding. Maak dus een onderscheid professional/scientific. Laat onderwijsinstellingen vrij in het benoemen van hun diploma's en scholen, maar voeg er een overheidskenmerk aan de diploma's toe. Bijvoorbeeld BP voor afgerond HBO als Bachelors, BS voor wetenschappelijk Bachelors (oude universiteiten), M voor wetenschappelijk Master's, etcetera.
Dan de kwaliteit van het onderwijs zelf. Kijk naar de kosten van het WO. Veel universitair onderwijs is rechtstreeks gericht op behoeften en/of wensen van het bedrijfsleven. Dit wentelt op die manier opleidingskosten van de particuliere sector af op de samenleving, terwijl de in het WO gelegde basis voor het zelfstandig ontwikkelen van nieuwe ideeën te smal blijft. Voor dit laatste is daneenvoudigweg minder tijd. Op den duur lijdt de samenleving hieronder, door tekort aan kwaliteit bij de overheid, en verminderd concurrentievermogen van de particuliere sector. De financiering moet hierom om. Praktijkgerichte vakken moeten gefinancierd kunnen worden door het bedrijfsleven zelf. Het bedrijfsleven krijgt hier een sturende kracht: Is er echt een tekort aan op korte termijn produktief personeel, kan het de financiering van het WO opvoeren. Sponsoring van wetenschappelijk personeel valt hier automatisch onder. Het volledige budget voor het WO kan zo ten goede komen aan echt wetenschappelijk onderwijs, wat automatisch de kwaliteit ten goede komt.
Modernere technologie (practica) kan door het bedrijfsleven gefinancierd worden. De universiteit is er voor ideeënoverdreacht. Wie slim genoeg is om het WO te volgen, kan zich snel genoeg aan nieuwe technologie aanpassen na zijn studie. Dit vergt enige tijd, dus is wetenschappelijk personeel minder snel operationeel in het bedrijfsleven. Wil het bedrijfsleven dat deze inwerktijd korter is, kan ze zelf voor de financiering van technologiegebruik zorgdragen. Reactie: onderwijs/onderzoek
Ik ben het volstrekt niet eens met uw conclusie dat er te weinig scheiding is van onderwijs en onderzoek. Het is zeer belangrijk om studenten al van een zeer vroege fase met academisch onderzoek kennis te laten maken en de enige manier waarop dat kan is om onderzoekers colleges te laten geven. Ook is het (uit praktijk) zo dat de meeste goede onderzoekers ook heel enthousiast en goed kunnen doceren, als je goed weet wat je aan het onderzoeken bent en je bent enthousiast over dan zie je de relevantie in om je onderzoeken te doceren en om studenten al vroeg kritisch te laten nadenken en met 'echte' onderzoeken kennis te laten maken. Het is ook belangrijk om onderzoekers hun onderzoek niet alleen binnen hun vakgebied te laten, maar het ook aan de iets bredere 'massa' te openbaren, dit kan bijvoorbeeld door middel van colleges aan bachelor studenten. Het is al jaren zo in de hele wereld dat onderwijs en onderzoek zeer nauw met elkaar verbonden zijn, en het werkt zeer goed. Er is wel echter een probleem met onderzoek in Nederland, dit probleem heeft meerdere oorzaken: onderzoekers worden onderbetaald (en zich niet kunnen mobiliseren net als de docenten in het Voortgezet Onderwijs), dat er überhaupt te weinig geld beschikbaar is voor onderzoek, dat de wetgeving voor onderzoek in Nederland veel te streng is (vooral sinds het laatste kabinet met beperkingen op embryonale stamcelonderzoek), en dat in het onderzoekswereldje er veel te veel sprake is van vriendjespolitiek, wat niet het onderzoek en de verdeling van onderzoeksgeld baat.
Commentaar: in de bachelor kan nauwelijks meer dan de basis wroden gelegd voor onderzoeksvaardigheden. Daarvoor heb je niet per se mensen nodig die zelf voortdurend met onderzoek bezig zijn. Onderzoeken zelf is vervolgens vooral een kwestie van learning by doing onder begeleiding van een enigszins ervaren onderzoeker, iets waarvoor de bachelor-scriptie zich goed leent. Onderzoekers zijn overigens vooral op hun plaasts als docent in de master-fase, waarvoor in het bovenstaande stuk wrodt bepleit een veel scherper odnerscheid te maken tussen beroepsgerichte en onderzoeksgerichte masters.
Commentaar op commentaar: als een onderzoeker bewust geen les wil geven dan kan hij/zij naar een onderzoeksinstituut gaan. Hierbij moet u denken aan instituten als het Nederlands Kanker Instituut of het Max Planck Institut in Duitsland. Een universiteit, en dat is zo over de hele wereld, moet zich inzetten voor zowel onderwijs als onderzoek en de medewerkers van een universiteit zijn daar zich bewust van. Als iemand helemaal niet les kan geven, dan kan hij ervoor kiezen om bij een onderzoeksinstituut te gaan werken. We moeten niet als Nederlanders denken dat we zo slim en innovatief zijn. In het buitenland is een zeer goed werkend model voor onderzoek/onderwijs gemaakt en de problemen in het onderzoeksleven in Nederland komen door de wetgeving, de vriendjespolitiek en de financiëring. Reactie op beurzenstelsel en 'zesjescultuur'
De kritiek op het beurzenstelsel is geheel ongegrond en geeft blijk van onwetendheid over de situatie van hedendaagse studenten. Wanneer het beurzenstelsel afgeschaft zou worden zou dit studenten juist dwingen om minder tijd aan hun studie te besteden en meer tijd aan het werken om deze studie te betalen. Ook zou veel potentiele studenten de mogelijkheid worden ontnomen om uberhaupt aan een studie te beginnen. Studeren is duur, evenals op kamers wonen zonder de mogelijkheid te hebben hierbij veel te werken. Veel ouders hebben de mogelijkheid niet om naast hun eigen onderhoud ook nog de studie van hun kind te betalen, laat staan die van twee of drie kinderen. Als een jongere zelf zijn studie moet betalen zal hij langer over zijn studie doen en zal hij minder geneigd zijn om zich volledig op het studeren te richten. Het hedendaagse stelsel waarin studenten alleen een beurs krijgen voor het aantal jaren dat hun studie duurt zorgt er al voor dat studenten genoegen nemen met een minder cijfer in plaats van harder te leren om de stof beter te begrijpen. De studiedruk is namelijk hoog en zelfs met het onderhouden van een minimaal sociaal leven is het lastig om al de vakken in een keer over de volle breedte voldoende te halen, vandaar de geneigdheid om genoegen te nemen met een zes. Bovendien is het krijgen van een beurs op dit moment niet van invloed op de beslissing om wel of niet te gaan studeren omdat deze wordt gegarandeerd, en wanneer de beurs niet meer gegarandeerd wordt zullen jongeren die het niet kunnen betalen sowieso niet meer overwegen om te gaan studeren. Deze instelling van de overheid zou dus absoluut niet bijdragen aan de profilering van Nederland als kenniseconomie, het opleidingsniveau van de burgers en daarmee ook het publieke debat.
Commentaar: als ik het wel heb werd in de inleiding gepleit voor een systeem van studieleningen. Als dat adequaat is, is er ook geen noodzaak voor studenten om bij te gaan klussen. Het is dan zelfs erg dom om dat te doen, omdat snel en goed afstuderen toegang tot banen zal geven met een salaris waaruit de leningen gemakkelijk terugbetaald kunnen worden. Die terugbetalingen zouden bovendien belastingaftrekbaar moeten zijn, omdat het immers om kosten van verwerving gaat. In de inleiding wordt bovendien gepleit voor een systeem van prestatiebeloing voor studenten. Een deel van het geld dat nu naar beurzen gaat, zou daarvoor kunnen worden ingezet. Je klust dan als het ware al studeren bij. Zo'n systeem betaalt zichzelf terug door de besparingen op studievertraging en studie-uitval.
Commentaar op commentaar: Wanneer het systeem van studiebeurzen omgezet wordt in een volledige studielening dan zal de gemiddelde (uitwonende) student met een studie van 5 jaar zo'n 15 000 euro bovenop zijn studiekosten krijgen (12*250*5). Het betalen van het collegegeld is dit jaar 1519 euro, gezien over vijf jaar is dat 7 595 euro, veel studenten moeten hierbovenop nog bijlenen omdat zij geen tijd kunnen besteden aan bijbanen en op deze bedragen komt ook nog eens de rente verdeeld over het aantal jaren dat een student er over doet dit terug te betalen. Stel dat een student 200 euro per maand bijleent, wat zijn budget per maand dus op 450 euro per maand zet, dan zal hij zodra zijn studie voorbij is 35 000 euro terug moeten betalen. Nu is 450 euro per maand absoluut niet genoeg om van rond te komen als je naar de prijzen van kamerverhuur kijkt en de kosten voor verplichte aanschaf van boeken die hier alleen al voor het studeren bovenop komen. Als een student na zijn studie zo'n 100 euro per maand terugbetaalt van zijn lening zal hij na ongeveer 30 jaar klaar zijn in het geval van die 35 000 euro (zonder naar de rente te kijken). Wanneer een student zich dit realiseert voordat hij aan zijn studie zal beginnen zal dit een ontmoedigende werking hebben, en dit zal zijn weerslag hebben in het aantal mensen dat gaat studeren. Op zijn minst zal het de instroom bij studies waar later weinig uitzicht op een goed verdienende baan is significant verminderen, en zal het de onafhankelijke positie van de wetenschap aantasten (omdat alleen nog studies gericht op het bedrijfsleven rendabel zullen zijn). Dit zal op zijn beurt weer een effect hebben op de Nederlandse economie en de internationale positie van Nederland als een kenniseconomie.
Reactie op commentaar: 30.000 euro is dacht ik ongeveer het gemiddelde jaarsalaris van een beginnend academicus. Bij een aflossing van tien procent per jaar en een rente van 3% per jaar komt dat neer 3900 euro in het eerste jaar. Daarbij is te bedenken dat er ook nog belastingaftrek voor mogelijk zou moeten zijn, omdat het immers om kosten van verwerving gaat.Daarmee komen we uit op zo'n 2500 euro in het eerste jaar. Diezelfde jonge afgestudeerden sluiten veelal hypotheken af voor bedragen die een veelvoud zijn die van 35.000 euro. Daabij komt dan nog de vermindering van de belastingdruk met het bedrag dat we niet meer collecteif aan beurzen behoeven uit te geven. En kijk eens naa de VS waar studies veel duurder zijn, maar de deelname aan hoger onderwijs hoger. De studiedruk valt bovendien in de meeste studies erg mee gelet op onderzoek over het aantal studie-uren.
Reactie: De situatie in de VS is op veel manieren anders dan de situatie hier. De toegang tot het hoger onderwijs is op een andere manier geregeld en de universiteiten varieren in kwaliteit. In de VS is er ook een grotere deling tussen arm en rijk waardoor mensen die het niet zo breed hebben, minder kans hebben om deze studies ook te betalen (u zegt het zelf ze zijn een stuk duurder) en zo hun sociale en economische levenssituatie te verbeteren. In Nederland moeten wij dit voorkomen, wanneer een student 400 euro per maand bijleent wordt dit al een realistischer schatting. Dit zou betekenen dat de schuld 55.000 euro wordt en dit betekent ook dat een student alles af zal moeten maken binnen de tijd die hiervoor staat - wat met of zonder financiele prikkels lang niet altijd zal gebeuren om diverse redenen. Ik ben niet bekend met kosten van verwerving, maar stel dat een student 3900 euro per jaar af zou lossen dan zou hij met dit bedrag minstens 15 jaar bezig zijn (En in het geval van een systeem zoals in de VS zal dit zelfs langer duren). Dit zal hoe dan ook mensen afschrikken en degenen die hiermee getroffen worden zijn de minder vermogende mensen. En als je in een samenleving als Nederland woont mag je toch verwachten dat iedereen dezelfde kansen geboden zal worden. Feit is ook dat het moment wanneer de schuld terug betaald moet worden, de fase is waarin iemand het minst verdient van zijn werkende leven. Als een student 25 is en 15 jaar bezig is met afbetalen, dan is hij op zijn 40e klaar. In deze tijd is het inderdaad niet ongewoon dat iemand een hypotheek afsluit en voor deze tijd krijgen de meeste mensen ook kinderen. Ik ben van mening dat een samenleving als Nederland zijn burgers niet met hoge schulden op moet zadelen wanneer deze een leven voor zichzelf en voor hun eventuele gezin proberen op te bouwen. Het belastingvoordeel waarover je spreekt zal bovendien slechts een heel klein verschil maken voor een student daar deze gedeeld wordt door de hele bevolking. En hijzelf zal hieraan meebetalen als hij de rest van zijn leven een hoger bedrag aan belasting betaald dan een andere burger met een lager inkomen. Een hoger aandeel hoogopgeleiden is in het algemeen belang van Nederland en zijn burgers, zeker nu het meeste werk dat een lage opleiding nodig heeft naar het buitenland kan worden ge-outsourced. Bovendien zal de studiebeurs de integratie bevorderen daar allochtone minderheden over het algemeen van de lagere inkomensgroepen zijn, en ook dat is in het algemeen belang van Nederland. Het aantal studie-uren dat uit onderzoek blijkt is overigens niet bijzonder representatief voor de studiedruk daar in dit soort onderzoeken veelal gevraagd wordt om het aantal uren te geven dat een student gemiddeld bezig is aan het studeren. Dit geeft niet goed weer hoe de druk verspreid wordt over verschillende tijden en op wat voor manier de tijd gedwongen ingedeeld wordt waar vaak de mogelijkheid van leren en/of het hebben van een bijbaan van afhangt. Studeren is geen werk van 9 tot 5 en veel avonduren en weekenden moeten gebruikt worden om te studeren.
Reactie: Hoe typisch Nederlands (of Den Haag's)om te denken dat al wat een mens motiveerd met geld te maken heeft. Zelf ben ik recentelijk, binnen de 3 jaar die voor mijn wetenschappelijke bachelor de norm is, afgestudeerd, tezamen met het gros (zo rond de 90%) van mijn mede studenten. Allen op het zelfde moment begonnen, en veel die dus tegelijk klaar waren. Veel van deze mensen hebben ook bovengemiddelde cijfers gehaald en de motivatie om voor het beste te gaan was alom aanwezig. Dit had alleen helemaal NIKS met het geld te maken, maar meer met een soort van verantwoordelijkheidsgevoel en samenhorigheid. Iets wat ik veel te horen heb gekregen van mijn medestudenten in de VS is dat mensen zich identificeren met de universiteit waar ze naar toe gaan, zelfs met de uni's die minder scoren dan de ivy league. Hier in Nederland is het zoiezo al 'cooler' om niet al te best te presteren, en je identificeren met de uni werkt ook lang zo goed niet. Over het algemeen hoor je meer over de stad waar mensen studeren dan de universiteit. Ik weet dat het veel minder aantrekkelijk is om over zoiets als motivatie te praten vergelijken bij monetaire issues, het is immers veel makkelijker om ergens een geld bedrag aan te hangen, maar zo eenvoudig komt een beter universitair onderwijs systeem niet aanwaaien. Niettemin denk ik dat Trots op Nederland liever de focus legt op een qualitatief beter systeem, versus meer afgestudeerden die sneller een papiertje kunnen halen voor minder kosten. Ik geloof er niet in dat het onderwijs (niet het onderzoek!)meer geld nodig heeft om beter te presteren, maar de nadruk en verwachtingen van zowel studenten als docenten zouden wel eens omhoog mogen. Om nog maar een verschil met de VS te benadrukken dat niet met geld maar wel met motivatie te maken heeft: elke universiteit in de VS heeft toelatingseisen, de ene strenger dan de andere, en een van de dingen die een aankomend student daar moet doen is een motivatie brief schrijven en/of een gesprek over diens motivatie te hebben. Dit is eigenlijk een veel betere manier om ervoor te zorgen dat de juiste studenten op de juiste plek zitten en gemotiveerd met hun studie bezig zijn. Voor diegenen die graag op de centen letten op dit gebied; minder uitval en een efficientere manier om les te geven (gemotiveerde studenten doen namelijk ook hun huiswerk en bereidden hun lessen beter voor) als ook een hoger nummer dat afstudeerd binnen de toegestane tijd zullen de staat uiteindelijk ook de het nodige geld besparen.
Reactie: Collegegeld / Studiefinanciering. Ik kan u melden dat 250 euro uitwonenden studiefinanciering per maand niet buitengewoon riant is, te meer omdat daar ca. 2000 euro aan collegegeld en boeken afgaat op jaarbasis. Het koppelen van resultaten aan financiering is een optie, men zou er voor kunnen kiezen om voortaan studenten per gehaald studiepunt (1ECTS) een bepaald bedrag uit te keren, voor zover dit haalbaar is. Een ander belangrijk puntje waar wel aandacht aan besteed mag worden is het volgende; Er wordt geen onderscheid gemaakt in studie's bij het toekennen van de Studiefinanciering, dit terwijl er wel degelijk hele grote verschillen bestaan tussen de aangeboden studie's. Een gemiddelde TU student spendeert minstens 40 uur per week aan zijn of haar studie, dit laat dus weinig ruimte over voor bijbaantjes EN ontspanning. Dit in groot contrast tot een groot aantal niet technische waar studenten hooguit 6! contacturen per week hebben, en (uit eigen ervaring) niet meer als 20 uur per week aan de studie besteden (en meer ook niet nodig is). Daarom zie ik meer in het koppelen van de studiefinanciering dan wel collegegeld aan de studie, uiteraard toegekend en beoordeeld door een onafhankelijk instituut. Dit is tevens een goede manier om populaire studie's die op de arbeidsmarkt van geen betekenis zijn minder aantrekkelijk te maken, terwijl de studie's die om mensen staan te springen gepromoot kunnen worden. Wellicht dat een poll onder studenten wat meer licht op deze zaak kan werpen, maar ik vrees dat er weinig studenten zijn die harder gaan werken als de studie duurder wordt, helaas, je kunt niet elk probleem oplossen met geld.
Meer open vragen i.p.v. multiple choice
De keuze voor meerkeuzetoetsing is in de praktijk veelal economisch. Het grootschalig onderwijs maakt deze keuze begrijpelijk: honderden studenten maken het zelfde tentamen.Een multiple choice tentamen nakijken kost veel minder tijd dan een tentamen met open vragen. Eventueel kunnen zelfs machines ingezet worden bij de verwerking.
Meerkeuzetentamens hebben een belangrijk nadeel. Docenten kunnen alleen vragen stellen die een duidelijk goed antwoord hebben. Dit zijn met name kennisvragen. Complexe begripsvragen, waar niet het juiste antwoord, maar de redenering er toe doet, zijn vaak slecht in een meerkeuzevraag te stellen. Niet voor niets worden multiple-choice toetsen door studenten vaak makkelijk gevonden.
Door de focus op kennis en multiple choice tentaminering in het Hoger Onderwijs wordt de kwaliteit ondermijnd. Van studenten mag immers verwacht worden dat ze na een opleiding méér kunnen dan een meerkeuzetentamen maken. Inzicht en probleemoplossend vermogen verdienen meer aandacht. Dit zijn vaardigheden waar het bedrijfsleven ook om zit te springen.
Meer open tentaminering is dan ook gewenst. Studenten leren zo meer kritisch nadenken, naast feiten leren. Multiple choice tentamens moeten gebruikt worden op het terrein waar ze voor bedoeld zijn: om kennis te toetsen. Wanneer het kan verdienen open vragen de voorkeur. Het mag immers niet zo zijn dat kostenbesparing leidt tot een vermindering van de kwaliteit van onderwijs. Collegegeld dient gerelateerd te worden aan de kostprijs van het onderwijs
Onderwijs is duur. De werkelijke kosten voor het onderwijs zijn een veelvoud van het collegegeld dat een student betaalt. De overheid betaalt het resterende deel. De meeste studenten draaien echter ook niet op voor het volledige collegegeld. Het beurzensysteem biedt volop mogelijkheden om de kosten dragelijk te maken. Zou het niet een goede zaak zijn als een student meer betaalt voor de eigen opleiding?
De kwestie is complex. Wat zou er gebeuren als het collegeld hoger wordt? Minder mensen zouden van het onderwijs gebruik maken. Elke econoom leert immers dat wanneer iets duurder wordt, er minder mensen van gebruik maken. Voor Nederland's internationale positie is dit zeer ongunstig. Om goed te concurreren met andere landen moeten er juist meer mensen gaan studeren.
Er is nog een specifieke reden om van het invoeren van collegegeld naar kostprijs af te zien. Met name de bèta opleidingen zouden duurder worden. Dure materialen en prakticumlocaties moeten immers betaald worden. Collegeld naar kostprijs zou betekenen dat bèta opleidingen duurder worden dan andere typen. Dit kan een zeer ongewenst effect hebben, namelijk dat minder mensen kiezen voor een bèta opleiding, terwijl Nederland juist meer bèta's nodig heeft.
Het lijkt wel alsof elke verhoging van het collegegeld negatieve gevolgen heeft. Betekent dit dat de situatie dan maar zo moet blijven? Nee. Onderwijs is namelijk niet alleen goed voor de samenleving, maar ook voor het individu. Men mag van het individu verwachten in de eigen toekomst te investeren. De overheid heeft als taak om de condities te scheppen waarin zo weinig mogelijk talent verloren gaat. De overheid moet kansen bieden, het individu moet kansen grijpen. Tegenover een verhoging van het collegegeld zou bijvoorbeeld een aantrekkelijke aanvullende lening kunnen staan.
De overheid moet echter nog beter toezien op de kwaliteit van het onderwijs. Een collegegeldverhoging is immers niet te verkopen wanneer de kwaliteit van onderwijs te wensen over laat. Voor een voltijd studie staat ongeveer 30 tot 40 uur per week. Sommige studies bieden van deze uren slechts 10 uur als contacturen aan. De overige uren wordt de student geacht zelf te studeren. Het is niet realistisch om te denken dat studenten 20 tot 30 uur per week zelf studeren. Dit is vaak ook helemaal niet nodig: een zes op het multiple choice tentamen is makkelijk gehaald.
Collegegeldverhoging is op zichzelf nodig om het onderwijs te kunnen financieren. Dit moet echter wel samengaan met een meetbare kwaliteitsverbetering en een vangnet voor die studenten die het niet kunnen betalen. Wanneer zowel burger als overheid hun verantwoordelijkheid nemen kan het Nederlandse onderwijs rendabel, goed en toegankelijk zijn. Dat is iets iets om trots op te zijn.
Opleidingen met een numerus fixus
De kosten van onderwijs zijn hoog en zijn de afgelopen decennia herhaaldelijk discussiepunten tijdens kabinetsformaties geweest. Op dit moment zijn er in Nederland nagenoeg geen opleidingen met een NF. De enige opleiding waar dit wel geldt is de geneeskunde opleiding.
In het huidige systeem waar de overheid een overgroot deel van de kosten voor haar rekening heeft is dit een vreemd verschijnsel. Vaak worden mensen (zwaar gesubsidieerd) opgeleid voor richtingen waar ze na hun afstuderen niet in gaan werken. Zonde van de subsidies en kosten voor de staat! Zo is op dit moment de psychologie studie populair onder jongeren maar kun je je gelijk afvragen "Wat moeten we met al die psychologen?". In het huidige financieringssystem waar de overheid het overgrote deel van de kosten voor haar rekening neemt kun je het standpunt verdedigen dat de overheid dan ook mag bepalen hoveel we opleiden door gebruik te maken van een numerus fixus.
Is dat de meest gewenste vorm? Nee dat denk ik niet, het gaat sterke trekken krijgen van een socialistisch / communistisch systeem waarin de overheid een sterke regulierende rol heeft.
Beter is om een gezonde marktwerking te hebben. Om dit te bewerkstelligen zullen de kosten van studies meer verhaald moeten worden op studenten door verhoging van collegegelden zoals hiervoor al opgemerkt. Een numerus fixus systeem zal dan niet meer nodig zijn, marktwerking in vraag en aanbod zal dan zorgen voor een gezonde reguliering. Echter: zo lang het systeem van financiering nog uit gaat van een grote overheidsbijdrage dan mag die overheid ook (meer dan nu) bepalen hoeveel we opleiden.
Toelating voor opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat:
Het huidige systeem van loting dient vervangen te worden door:
* Studenten die Cum Laude (of een andere te bepalen norm) van het VWO komen moeten een vrije keuze hebben in de studie die ze willen volgen. Het gaat hier ten slotte om bewezen talent waar de maatschappij van morgen hard op zit te wachten. * Studenten die niet in de eerste groep vallen blijven afhankelijk van selectie door loting. De resultaten van een toelatingsexamen zou een ander criterium kunnen zijn, echter worden het dan moment-opnames en zijn er extra kosten en rompslomp mee gemoeid.
Reactie: onderwijs/onderzoek
Ik ben het volstrekt niet eens met uw conclusie dat er te weinig scheiding is van onderwijs en onderzoek. Het is zeer belangrijk om studenten al van een zeer vroege fase met academisch onderzoek kennis te laten maken en de enige manier waarop dat kan is om onderzoekers colleges te laten geven. Ook is het (uit praktijk) zo dat de meeste goede onderzoekers ook heel enthousiast en goed kunnen doceren, als je goed weet wat je aan het onderzoeken bent en je bent enthousiast over dan zie je de relevantie in om je onderzoeken te doceren en om studenten al vroeg kritisch te laten nadenken en met 'echte' onderzoeken kennis te laten maken. Het is ook belangrijk om onderzoekers hun onderzoek niet alleen binnen hun vakgebied te laten, maar het ook aan de iets bredere 'massa' te openbaren, dit kan bijvoorbeeld door middel van colleges aan bachelor studenten. Het is al jaren zo in de hele wereld dat onderwijs en onderzoek zeer nauw met elkaar verbonden zijn, en het werkt zeer goed. Er is wel echter een probleem met onderzoek in Nederland, dit probleem heeft meerdere oorzaken: onderzoekers worden onderbetaald (en zich niet kunnen mobiliseren net als de docenten in het Voortgezet Onderwijs), dat er überhaupt te weinig geld beschikbaar is voor onderzoek, dat de wetgeving voor onderzoek in Nederland veel te streng is (vooral sinds het laatste kabinet met beperkingen op embryonale stamcelonderzoek), en dat in het onderzoekswereldje er veel te veel sprake is van vriendjespolitiek, wat niet het onderzoek en de verdeling van onderzoeksgeld baat.
