Middelbaar Beroepsonderwijs (mbo) (bewerkbare versie)
Uit Trotsopnederland
Middelbaar Beroepsonderwijs (bewerkbare versie)
De BVE-sector heeft een belangrijke functie bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken als voortijdig schoolverlaten, de positie van kwetsbare groepen, de integratie van nieuwkomers en de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Het beroepsonderwijs dient een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de kenniseconomie. Aandachtspunten zijn een brede aanval op schooluitval, meer beroepsperspectief voor kwetsbare jongeren, voortgaande vernieuwing van het beroepsonderwijs, samenhang tussen educatie, inburgering en beroepsonderwijs en het stimuleren van ‘een leven lang leren’. Ook binnen het mbo is er sprake van competentiegericht leren. Een leervorm die gericht is op het vergroten van de persoonlijke vermogens op basis van de eerder verworven competenties. Het belang van competentiegericht leren voor een organisatie is dat de medewerkers zich voortdurend blijven ontwikkelen. De belangen van een onderneming zijn hiermee ook gediend. Ook zullen de medewerkers door de ontplooiingsmogelijkheden die competentiegericht leren biedt, zich meer gewaardeerd voelen omdat ze als medewerker in de organisatie beter tot hun recht komen. Voor de medewerkers is het belangrijk dat zij tijdens hun werk aan de eigen loopbaan kunnen werken. De essentie van competentiegericht leren is dat de medewerker/cursist kennis, vaardigheid en kunde in diverse contexten kan toepassen met het doel om een taak naar tevredenheid uit te voeren.
Samenwerking tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven is erg belangrijk. Dat kan door scholen voor beroepsonderwijs de beschikking te geven over middelen bedoeld voor innovatie van het onderwijs. Voorwaarde hierbij is dat het geld wordt besteed in samenwerking met het (regionale) bedrijfsleven, waarvoor wordt opgeleid en verantwoording wordt afgelegd. Ook de toename van ondernemerschap is gunstig voor de Nederlandse economie. Met name jonge bedrijven nemen een groot deel van de groei van de werkgelegenheid voor hun rekening. Tevens blijken jonge ondernemingen meer te innoveren. Ook in het gevestigde bedrijfsleven is ondernemerschap, inclusief medewerkers in loondienst, bevorderlijk voor de innovatie en concurrentiekracht.
Onder invloed van veranderende bestuurlijke verhoudingen tussen onderwijsinstellingen en de rijksoverheid is de beleidsruimte in het Beroepsonderwijs groter geworden. De decentralisering van beleid, vastgelegd in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) leidt tot een toegenomen autonomie van de regionale opleidingscentra (ROC’s). Een gevolg hiervan is dat het beleidsvoerend vermogen van deze instellingen is aangescherpt en dat gekeken wordt naar kansen voor het Beroepsonderwijs. Strategisch beleid gericht op het omgaan met een toekomst van veel onzekerheden. Een open opstelling tegenover de omgeving vereist een voortdurende wisselwerking met die omgeving (product-markt-combinaties). Er wordt vanuit de politiek en overheid verwacht dat de ROC’s hun blik naar buiten richten en een (economische) bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de eigen omgeving. Als motor van de economie kunnen ROC’s een functie vervullen als kennisaanjager in de regio. In dit proces is het belangrijk de relevante actoren in kaart te brengen en laten meedenken bij het proces van strategische beleidsvorming.
De diversiteit aan opleidingen binnen het MBO is te groot geworden. Resultaten hiervan zijn o.a. dat leerlingen moeite hebben met het kiezen van een juiste opleiding, en het bedrijfsleven wordt overspoeld met afgestudeerde leerlingen in de op dat moment populaire opleidingen. Momenteel zijn opleidingen met technische vakken zoals elektrotechniek, metaal en motorvoertuigentechniek minimaal bezet en dit resulteert op (korte) termijn in krapte op de arbeidsmarkt aan vakmensen op MBO niveau. Het verder ontwikkelen binnen de technische disciplines van competenties e.d. kan prima ingevuld worden in hoger beroepsonderwijs en de praktijk.
De regelgeving met betrekking tot het verplichte aantal uren voor bepaalde MBO niveau's moet los worden gelaten. Zo moet bijvoorbeeld een niveau 4 opleiding aan een x aantal uren voldoen terwijl dit vaak scheef staat op de uren die daadwerkelijk in de praktijk gegeven worden. Zo voorkomen we dat studenten thuis zitten, of op school niks aan het doen zijn. Als de regels met betrekking tot deze urennormen losgelaten of versoepeld worden, kan er binnen een kortere tijd (bijvoorbeeld door de opleidingsduur te verkorten van 4 naar 3 jaar) een intensivering van het gegeven onderwijs plaatsvinden. Het gevolg hiervan is dat studenten uitgedaagd en geprikkeld blijven om het betreffende onderwijs te blijven volgen. Daarnaast betekend dit voor de arbeidsmarkt dat er eerder gekwalificeerde krachten, de markt kunnen komen versterken. Als voorbeeld, wil ik het huidige MBO politieonderwijs geven. Dit is een opleiding die qua kennis en kunde in 2 tot 3 jaar gegeven kan worden. Echter door het ministerie is 4 jaar voor geschreven anders mag het, het predicaat MBO niveau 4 niet hebben. Dat studenten 3 dagen in de week "vrij" zijn en er momenteel 4000 vacatures in het werkveld zijn doet er kennelijk niet toe.
- Minder zelfstandigheid leerlingen verwachten, strakke sturing geven
- Meer bevoegdheid van scholen om zelf het onderwijs in te richten (het hoe),de politiek geeft het kader aan (het wat)
- Meer verdieping, aandacht voor feitenkennis en beroepsmatig kunnen communiceren (lezen, schrijven en spreken) in de vakken
- Betere aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt.
- Betere doorstroom vmbo – mbo - hbo
- In het bereiken van een dynamische kenniseconomie meer aandacht voor Ondernemendheid, innovatie en ondernemerschap in het beroepsonderwijs
- 840-uur norm aanhouden en de leerlingen bewuster maken van de mogelijkheden om hun uren in te delen
- Noodzaak tot wetenschappelijke en economische onderbouwing van invoering CGO
- In- en uitvoering van onderwijsvernieuwingen niet via een top-down benadering maar via een bottom-up benadering
- Eerst experimenteren en op basis daarvan al dan niet vernieuwingen invoeren en niet andersom.
- Aandacht voor de positie en de wensen van de docenten is van belang voor succes op uitvoering van CGO
- De cvoorgestelde onderwijsvernieuwing ook doorrekenen op gebieden van huisvesting, ICT, Bemensing, Roostering, Sturing, etc. Integrale benadering is nodig om niveau van dromerige onderwijsverniewing te kunnen vertalen in beleidsconsequeties.
- In de onderwijsleerpraktijk dienen resultaten te prevaleren boven processen
Andere belangrijke verbeterpunten zijn:
- Het invoeren van een prestatiebeurs voor MBO-studenten om zo uitval te beperken
- Studenten een mentor (docent) toe te bedelen die hen gedurende de hele opleiding coached
- Kleinere ROC's met klassen van maximaal 30 studenten. Om zo de menselijke maat te bewaren
- Het makkelijker eruit gooien van "rotte appels". Je hoort nog te vaak dat MBO een zootje is door vervelende leerlingen.
Resultaten
Minder zelfstandigheid en strakke sturing voor MBO-studenten nader bekeken Project Gestuurd Onderwijs: Er is vaak te nonchalant omgesprongen met de invulling van het zelflerende karakter van het PGO (Project Gestuurd Onderwijs). Het ontaarde in wat googelen van studenten, die op eigen houtje wegens de vaak ondeskundige sturing van begeleiders hun weg moesten vinden bij het volbrengen van het project. Ook waren er te vaak meeliftende studenten, die niets bijdroegen aan het project (bij mooi weer op terrasjes zittend), maar toch met een voldoende aan de haal gingen. Ergo: de kwaliteit en het niveau kwamen onder druk te staan met alle gevolgen van dien. Veel oud-docenten hebben deze ellende nog meegemaakt en zijn getuige geweest van de afbraak van het onderwijs. Modernisering van het onderwijs moet doorgaan, maar wel verantwoord.
Strakke sturing moet concreet hierin bestaan, dat op het MBO, maar m.i. ook op het HBO, het PGO het z.g. competentiegerichte leren moet voldoen aan de volgende voorwaarden: elk project moet bestaan uit een verplichte, theoretische voorbereidende component van bijvoorbeeld 50% van de tijd in sbu's(zeg: studiebelastingsuren die realistischer geschat moeten worden dan in het verleden) en 50% van de tijd in sbu's voor de uitvoerende component door de projectgroep van de studenten. De TC (voortaan betekenend: verplichte, theoretische voorbereidende component)zal in de vorm van een college moeten plaatsvinden, waarbij de docent de DI (voortaan betekenend: digitale instructie) verstrekt via downloading of op een opslagmedium. De TC moet voldoende vaardigheden aandragen, voorbereiden en oefenen om de UC (voortaan betekenend: uitvoerende component door de projectgroep van de studenten) te doen slagen. De vaardigheden aangereikt in de DI bij de TC wordt afgerond met een toets. Na de voorbereiding van de TC kan men met de UC starten en dit in de gestelde tijd afronden. De werkstukken bij de UC moeten digitaal ter beoordeling worden aangeleverd bij de verantwoordelijke docent. In de eindbeoordeling moet het werkstuk ook de praktische uitvoering getest worden op kwaliteit en juistheid. Daarbij dient het aandeel van elke student binnen het project aantoonbaar te zijn. De digitale componenten in het proces van een project moet zo veel mogelijk papierloos en dus milieuvriendelijk zijn. Tot op heden hadden docenten het druk met het afvinken van competenties en dit kon ontaarden in een louter tijdrovend en bureaucratisch proces. Natuurlijk moeten in de projectbeschrijving de competenties vermeld en daarna vastgesteld kunnen worden bij de studenten tijdens en bij de afronding van het project. De toets van de TC en de beoordeling van de UC van het project levert het eindcijfer van het project op zodat er een individuelere beoordeling plaatsvindt binnen de groep.
De digitale instructie en digitale leerboeken:Onderwerp Wat betreft studieboeken en DI zou men als instituut contracten met uitgevers kunnen sluiten, zodat studenten voor een relatief laag bedrag kunnen beschikken over de benodigde kennis voor de studie gaande het studietraject. Ook moeten docenten zelf in staat zijn, maar ook de vrijheid hebben, DI te verstrekken via zelf ontwikkeld digitaal studiemateriaal. Er zijn technieken in ontwikkeling die binnenkort op de markt komen, waarabij men het digitale boek kan downloaden en kan lezen. Daarnaast moet elke student kunnen beschikken over een notebook. Koste wat kost moet worden voorkomen, dat, zoals in voorbijgegane jaren, dure studieboeken (dus hardcopies op papier) ongebruikt in de kast bleven liggen. Onderwijs moet voortdurend inspelen op het voordeel van nieuwe technieken om efficiëntie en goed resultaten te boeken en de kosten zo laag mogelijk te houden. Docenten op hun vakgebied moeten deskundig en onderwijsbevoegd zijn en leiding geven in het gehele proces van een project.
