Fiscaal systeem (geconsolideerde, niet bewerkbare versie)

Uit Trotsopnederland

Ga naar: navigatie, zoeken

Fiscaal stelsel (geconsolideerde, niet bewerkbare versie

Hierna volgt een bewust soms prikkelend geschreven stuk, dat als aftrap zou kunnen dienen voor een discussie met elkaar over verschillende fiscale thema’s. Zoals gezegd willen we met elkaar op basis van argumenten in gesprek om te komen tot de in eerste instantie belangrijkste politieke thema’s van de komende jaren. Dit stuk is dan ook alleen bedoeld als voorbeeld. U bepaalt uiteindelijk wat die thema’s zullen zijn. Een oproep om daarover met elkaar in gesprek te gaan, vindt u elders op de website van Trots op Nederland.

Bedenkingen bij ons fiscale stelsel

De welvaartsstaat is sinds de jaren tachtig aan het afbrokkelen. Wil de Nederlandse economie duurzaam competitief blijven, zowel in Europa als elders, dan is matiging van de fiscale en sociale lasten onvermijdelijk. Minstens zo wenselijk is een grotere rechtvaardigheid van ons fiscale systeem. Een derde wenselijkheid, vereenvoudiging, zal hier niet aan de orde komen, hoewel de afschaffing van sommige belastingen of gecompliceerde vormen van belasting natuurlijk ook bijdragen aan de vereenvoudiging ervan.

Rechtvaardiging en efficiëntie van de belastingdruk

Rechtvaardiging van belastingen is primair een kwestie van rechtvaardiging van staatstaken. Ook al is een bepaalde staatstaak gerechtvaardigd, dan nog is het de vraag in welke mate die taak moet worden vervuld en welke prioriteiten er tussen de staatstaken bestaan. Hoe weeg je bijvoorbeeld meer blauw op straat af tegen meer geld voor de verhoging van bijstandsuitkeringen? Toch kan de rechtvaardiging van de belastingdruk ook op een andere manier worden benaderd, namelijk: psychologisch of economisch.

Gegeven het huidige beslag van de publieke sector op het nationaal inkomen (zo’n 47%) besteden wij de helft van onze werktijd aan werken voor het publieke belang. Alleen doen we dat niet ieder afzonderlijk, maar op basis van arbeidsdeling. Ambtenaren werken bijvoorbeeld de hele dag voor de staat, maar worden via de belastingen betaald door mensen die niet voor de overheid werken. Omdat we die publieke diensten niet, zoals in primitiever tijden, in natura verrichten, maar via fiscale overdrachten, realiseren de meeste burgers zich dat niet zo scherp. Intuïtief zullen de meeste mensen het er echter over eens zijn dat een leven in halve horigheid echt wat te veel van het goede is. Aan de andere kant zijn de meeste mensen het erover eens dat de staat taken vervult zonder welke de samenleving en in het bijzonder de economie niet goed kan functioneren. Zo afwegende zullen de meeste mensen echt niet bereid zijn om – materieel gezien -meer dan één derde van hun werktijd voor de staat in de weer te zijn. De norm van 33% (als maximum) impliceert dat het huidige beslag van de collectieve middelen in het BNP (zo’n 47%) sterk dient te worden verminderd, ook al is een gedeelte van die uitgaven niet van strikt publieke aard, zoals bijvoorbeeld de AOW-premie.

Tot min of meer hetzelfde maximum-percentage kun je concluderen op basis van de redenering achter de zogenaamde Laffer-curve. Volgens Laffer is er zoiets als een optimale belasting, omdat te hoge belastingdruk tot een vermindering van het belastbare inkomen leidt waardoor de belastingopbrengst op een iets langere termijn juist lager zal kunnen zijn. Wordt de belasting als te hoog ervaren dan zullen mensen immers minder gaan investeren en minder hard gaan werken. Aan de andere kant moet de belastingquote ook weer niet zo laag liggen dat de overheid de voor de economische ontwikkeling essentiële collectieve goederen en diensten niet kan produceren, zoals defensie, politie, rechtspraak, onderwijs, (spoor)wegen en volksgezondheidszorg e.d. Daarnaast zijn er natuurlijk collectieve goederen die om sociaal-politieke redenen moeten worden geproduceerd, zoals bijstand aan mensen die niet kunnen voorzien in hun voor het enigszins beschaafd overleven noodzakelijke goederen en diensten. De vraag waar het optimale punt op de Laffer-curve ligt, is moeilijk te beantwoorden, maar wel is duidelijk dat landen met een beduidend lagere belasting dan bij ons, gemiddeld een sterkere economische groei kennen. En een verschil van 1% economische groei is al voldoende om bij een belasting van 33% te zorgen voor een groei in belastinginkomsten die hoger is dan bij een belasting van 47%.

Progressieve inkomstenbelasting of flat-tax?

Als we uitgaan van een maximum van 33% belasting, komt meteen de vraag op wat de progressie in de inkomstenbelasting rechtvaardigt. Wij kennen immers niet een voor allen gelijk tarief (flat-tax), maar een tarief dat stijgt met de hoogte van het inkomen. Die stijging is overigens niet continu, maar discontinu (er zijn maar drie tarieven), wat op zichzelf genomen al weer willekeurig aandoet. De redenering achter de Laffer-curve laat zich ook toepassen op de progressiviteit van de inkomstenbelasting. Te veel progressie zal ertoe leiden dat mensen minder gaan werken omdat het marginaal nut van het extra inkomen niet opweegt tegen de arbeidsinspanning. Een lagere progressie zou dus per saldo wel eens meer belastingopbrengst kunnen genereren. Tegen progressiviteit in de inkomensbelasting laten zich echter ook meer principiële argumenten inbrengen.

Als rechtvaardiging voor een progressief tarief wordt het zogenaamde draagkrachtbeginsel aangevoerd. Draagkracht is echter, afgezien van de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, een subjectieve aangelegenheid. De gedachte achter een progressief tarief is dat belasting zwaarder is naarmate het inkomen geringer is. In feite berust deze gedachte echter op een verwarring van geld en goed. Zeker, als men al twee tomaten gegeten heeft, zal er onmiddellijk daarna minder behoefte zijn aan een derde. Maar voor geld gaat dat niet op, aangezien met geld een oneindige hoeveelheid behoeften zijn te bevredigen. Daarbij wordt ook niet het verband tussen extra inspanning en extra inkomen verdisconteerd, terwijl als extra inkomen minder nuttig zou zijn, ook het offer van extra inspanning groter moet worden geacht. Juist omdat dit zo is worden ook individuele voorkeuren voor werken in verhouding tot consumeren en recreëren gehinderd door progressie in de inkomstenbelasting, hetgeen niet gunstig is voor de economie.

Dat het draagkrachtsbeginsel erg speculatief van aard is, wordt bevestigd door het feit dat het beginsel nog niets zegt over de juiste mate van progressie in verhouding tot het inkomen. Daarbij heeft progressie nog nadelige neveneffecten.

Overigens is het zo dat het draagkrachtbeginsel voor zover het een objectieve grondslag heeft in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, onvoldoende wordt gerespecteerd. Ook de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van kinderen zouden buiten de belastingen moeten blijven. De tegemoetkomingen voor deze kosten van kinderen is echter maar een fractie hiervan, tenzij het gaat om mensen met zeer weinig inkomen.

Vermogensbelasting

Een belangrijk deel van de inkomstenbelasting bestaat uit vermogensbelasting. Belasting van vermogen als zodanig is in feite een vorm van confiscatie. Legaal verkregen vermogen is immers al eens belast. Iets anders is de belasting van inkomen uit vermogen. Toch is een dergelijke belasting ongerechtvaardigd. Vermogensinkomen heeft drie mogelijke bronnen. De eerste is consumptief gebruik van vermogensobjecten. Dit komt in feite neer op het belasten van duurzaamheid. Als twee mensen hetzelfde inkomen hebben en de één consumeert dat inkomen door verre reizen te maken in plaats van, zoals de ander doet, er een woning van te kopen, dan komt het belasten van het huis als vermogen erop neer dat spaarzaamheid fiscaal wordt bestraft.

De tweede bron van inkomen uit vermogen is rente. In feite is rente niets anders dan een vergoeding voor het offer van uitgestelde consumptie. Iemand die bijvoorbeeld een huis koopt met een hypotheekrente kan van dat huis consumptief genieten op kosten van een geldschieter. Maar als de consumptie van een duurzaam goed niet belast moet worden; zou dat dan niet ook moeten gelden voor het financiële equivalent van dat consumptieve genot? En zo niet, wat zijn dan de argumenten om hier anders tegenaan te kijken.

De derde bron van inkomen uit vermogen wordt gevormd door beleggingen. Het probleem hiermee is niet dat beleggingswinsten niet als inkomen kunnen worden beschouwd en dus ook als zodanig belastbaar zouden moeten zijn, maar wel dat de overheid dan ook de beleggingsverliezen negatief zou moeten belasten. De staat zou dan fiscaal gaan participeren in speculatie, wat hoogst onwenselijk is en het niveau van de belastinginkomsten ernstig zou kunnen destabiliseren in geval van een recessie. Betekent dat nu dat de staat in het geheel niet kan profiteren van vermogenswinsten? Neen. Vermogenswinst weerspiegelt globaal gezien de stijging van de waarde van kapitaal of althans de verwachtingen ten aanzien van die waarde. De waarde van het kapitaal correspondeert uiteindelijk met die van de winst en die valt al onder de vennootschapsbelasting. Daarbij is de winst natuurlijk ook al afgeroomd door de btw over het winstdeel van goederen en diensten.

Een bijzondere vorm van vermogensbelasting is de OZB (de onroerende zaak belasting), die een belangrijke bron van inkomsten is voor de gemeenten. Niet alleen varieert het tarief ervan van gemeente tot gemeente, maar meer principieel is de vraag te stellen of de waarde van onroerend goed correspondeert met het profijt van gemeentelijke uitgaven.

Staatpiraterij, - paternalisme en -verduistering

Overdrachtsbelasting (die bijvoorbeeld moet worden betaald bij de verkoop van onroerend goed) en successiebelasting (op erfenissen) zijn pure staatspiraterij. Overdrachtsbelasting maakt verhuizen bovendien ook duurder en belemmert daardoor de economische mobiliteit. Waarom de staat van zulke transacties mee zou moeten profiteren, is volstrekt onduidelijk.

Successiebelasting leidt tot allerlei vernuftige constructies tot ontduiking of vermindering ervan. Er is eigenlijk geen overtuigende rechtvaardiging voor successiebelasting. De rechtvaardiging die ervoor wordt aangevoerd is dat degene die een erfenis of legaat krijgt iets geschonken krijgt. Ook schenkingen boven een bepaalde waarde vallen overigens onder een speciale schenkingsbelasting. Een schenking is echter vanuit het oogpunt van de schenker een nadere bestemming van zijn bezittingen. Of hij die zelf houdt om ze te consumeren of om niet aan iemand anders overdraagt, zou de staat volstrekt onverschillig moeten laten.

Al even parasitair is de kansspelbelasting. Wint men bijvoorbeeld een bepaald bedrag in een tv-quiz, dan moet men 29% afdragen aan de staat. In feite wordt een heel groot deel van het bedrag dat door de deelnemers aan kansspelen wordt ingebracht, besteed aan goede doelen. De rechtvaardiging van deze fiscale interventie is wederom in nevelen gehuld.

Naast belastingen kennen we ook accijnzen, waarvan de voornaamste de tabaks-, de alcohol- en de benzineaccijns zijn. Accijnzen zijn alleen te rechtvaardigen als vergoeding van de externe kosten van het gebruik van dat waarover ze geheven worden. De enorme accijnzen op tabak en alcohol zijn in ieder geval financieel, aangezien het gebruik ervan eerder ziektekosten bespaard en in de gebruikers in de regel toch een leeftijd bereiken waarop ze al met pensioen zijn. Dat blijkt wel uit het feit dat onlangs een speciale levensverzekering voor rokers op de markt wordt aangeboden, die beduidend hogere bedragen uitkeert dan aan niet-rokers. De rechtvaardiging van deze belastingen wordt wel gezocht in de bescherming van de gezondheid van de gebruikers, maar dat impliceert een niet te rechtvaardigen paternalisme. In de eerste plaats worden massa’s gebruikers die matig consumeren onafhankelijk van de accijns gedwongen bedragen op te hoesten die een beperkt deel van de potentiële verslaafden van overmatige consumptie af houden. In de tweede plaats is het de vraag of het de taak van de staat is om meer te doen dan (volwassen) mensen te waarschuwen voor risico’s waarvan zij zich te weinig bewustzijn, ze bij te staan als ze desondanks het slachtoffer van zo’n risico zijn geworden en om derden te beschermen (zoals tegen dronken chauffeurs bijvoorbeeld). Daarvoor bestaan echter andere middelen. In feite gebruikt de staat de accijnzen op tabak en alcohol als fiscale melkkoe. Als de overheid consequent zou zijn, zou zij degenen die medisch gesproken al verslaafd zijn, vrijstelling van accijnzen moeten geven, aangezien deze in hun geval immers ineffectief zijn gebleken.

Overmatig roken en drankgebruik behoren tot een veel wijdere categorie van “ongezonde levensgewoonten”. Denk maar eens aan te vet eten, te weinig bewegen, te veel werken, enzovoorts. Als de staat daar via accijnzen iets aan zou gaan doen, is het einde echt zoek. Dat de overheid waarschuwt tegen de gezondheidseffecten van overconsumptie van bepaalde stoffen en dat ze verslaafden helpt van hun verslaving af te komen, is natuurlijk wel acceptabel. Maar het is niet te rechtvaardigen dat rokers en drinkers categorisch worden uitgebuit, alsof ze in het algemeen zonder deze accijnzen gedoemd zijn te gronde te gaan.

Benzineaccijns en wegenbelasting zijn te rechtvaardigen als die worden gebruikt voor de aanleg, instandhouding en veiligheid van wegen. Ook de kosten van bescherming van natuurgebieden en wijken tegen vervuiling en lawaai kan uit benzineaccijns worden gefinancierd. Verder kan ook subsidie op openbaar vervoer uit benzineaccijns efficiënt zijn voor zover dit leidt tot vermindering van daadwerkelijk nog kostbaarder overbelasting van wegen. Overigens blijkt uit onderzoek dat dit slechts in zeer geringe mate het geval is. De huidige accijns plus wegenbelasting leveren in feite veel meer op dan voor deze doeleinden noodzakelijk is. De middelen die noodzakelijk zijn om het fileprobleem op te lossen worden in feite al lang door het gemotoriseerde verkeer opgehoest, maar zijn in belangrijke mate besteed aan zaken die niets met gemotoriseerd vervoer hebben uit te staan. Door het feit dat men de het fileprobleem zou uit de hand heeft laten lopen, ontstaan bovendien enorme kosten aan verloren arbeidsuren en extra brandstofkosten. Je zou deze onevenwichtigheid in de kosten en baten van de benzineaccijns een vorm van belastingverduistering kunnen noemen. Dit is zeker niet de enige vorm ervan.

Bij al deze belastingen op motorvoertuigen komt dan ook nog eens de zogenaamde BPM, de eenmalige belasting op import van personenauto’s en motorrijwielen. Deze dient wederom geen enkel ander doel dan dat deze (meer dan 3 miljard euro) in het fiscale laatje brengt.

Zeer dubieus zijn ook heel wat heffingen op overheidsdiensten. Veel daarvan lijken buiten verhouding tot de werkelijke kosten ervan en andere worden ten onrechte geheven. Het verplicht identiteitsbewijs vanaf 14 jaar, op zichzelf al een overbodige en voor met name gezinnen met kinderen kostbare maatregel die ongedaan dient te geworden gemaakt, wordt zelfs geheel ten onrechte in rekening gebracht. Anders dan een paspoort bijvoorbeeld, is het immers verplicht een identiteitsbewijs te dragen, zonder dat dit een noodzakelijk voordeel heeft voor de drager ervan. Het zou daarom uit de algemene middelen betaald moeten worden. Was dat het geval geweest, dan was de legitimatieplicht echter waarschijnlijk nooit ingevoerd omdat het nuttig effect ervan uit het oogpunt van criminaliteitsbestrijding vrijwel nul is.

Nauw verwant hiermee zijn verhogingen van boetes die nauwelijks enig ander dan een fiscaal nuttig effect hebben. Zo worden thans de verkeersboetes met 20% verhoogd. Snelheidsboetes verhogen op snelwegen heeft echter geen enkel effect in termen van bevordering van de veiligheid. Het is namelijk zelfs zo dat op Duitse snelwegen, waar deels geen snelheidslimiet geldt, niet meer ongelukken gebeuren dan bij ons. Snelheidsboetes uitdelen op snelwegen is gewoon lucratief voor de staat. In wijken en buurten, waar snelheidsbeperking juist zeer belangrijk is, wordt daarentegen zelden of nooit gecontroleerd, omdat dit vaak meer kost dan het aan boetes oplevert.

Staatsschulden

Als het niet om staatsinvesteringen gaat die zichzelf terugbetalen via hogere staatsinkomsten, komen staatsleningen in feite neer op een verschuiving van lasten van huidige naar toekomstige generaties. Zulke leningen veroorzaken bovendien een opwaartse druk op rente op de private kapitaalmarkt, wat weer negatief werkt op de investeringen.

Conclusie

Internationale concurrentie, psychologie en fiscale economie pleiten voor een verlaging van de belastingdruk. Boven is betoogd dat veel soorten belastingen, accijnzen en heffingen die wij kennen niet te rechtvaardigen zijn. Afschaffing van die belastingen zou al een zeker verschil maken. Sommige van de belastingen zin echter maar in beperkte mate te reduceren als gevolg van Europese wetgeving. Een belangrijk deel van de reductie zal derhalve moeten komen uit de verlaging van de tarieven.

Persoonlijke instellingen